Berimbau
De berimbau is het belangrijkste instrument in capoeira.
Meer dan eender welk ander instrument belichaamt het
capoeira. Het is zo belangrijk dat geen enkel ander
instrument luider mag klinken dan de berimbau. De berimbau
bepaalt het ritme van de muziek en dus ook het ritme van het
gevecht. Wanneer een gevecht uit de hand dreigt te lopen of
te rommelig wordt, kan de mestre die de berimbau bespeelt,
beslissen om het tempo plots te verlagen waardoor het spel
weer in zijn plooi valt.
Er zijn drie soorten berimbaus en ze worden onderscheiden
door hun kalebas (cabaça) die dient als klankkast.
De
berimbau-gunga heeft de grootste klankkast en bepaalt het
ritme. De
berimbau-medió (of –centro) heeft dezelfde functie,
maar de klankkast is iets kleiner. De
berimbau-viola heeft de kleinste klankkast en wordt gebruikt
om te improviseren op het basisritme
De keuze voor
drie berimbaus verwijst naar de Afrikaanse cultuur waar
drievoudigheid een steeds wederkerend gegeven is.
De
berimbau ziet er uit als een (pijl en) boog
en wordt gemaakt van hout afkomstig van de aracá, de gabrioba of biriba boom. Enkel dit hout wordt
gebruikt en mag bovendien volgens de rituelen enkel
bij volle maan gekapt zijn. De vêrga, stok, wordt
gebogen en samengehouden door de arame, een metalen
snaar. Met een touw wordt de caixa de som, de
klankkast vastgemaakt aan snaar en stok tezamen. De
berimbau wordt met één hand vastgehouden met de
klankkast ter hoogte van de buik. In diezelfde hand
houdt de speler een dobrão, muntstuk (of een
steen) en duwt deze tegen de snaar om een
andere toon te krijgen. Met de andere hand tikt hij
op de snaar met een baqueta, een dun stokje. Deze
hand houdt doorgaans ook nog een caxixi, een soort
van rammelaar, vast. Met de berimbau kunnen drie
verschillende basistonen gespeeld worden. Een hoge
en een lage toon en een aparte kletterende toon. Bij
de hoge toon slaat men net boven de steen die men
hard tegen de snaar duwt, bij de lage toon slaat men
onder de steen die niet tegen de snaar geduwd wordt.
Bij de kletterende toon houdt men de steen zacht
tegen de snaar en slaat men boven de steen. Door een
afwisseling van tonen kan men bepaalde ritmes
beginnen spelen. Hier komen we later nog op terug
bij toques.
Wil een capoeirista een
hoge graduatie kunnen behalen dan moet hij zeker dit instrument
leren bespelen. Bovendien zal hij beschikken over zijn eigen
berimbau en deze ook zelf leren opspannen en herstellen.
Pandeiro
In Vlaanderen kennen we dit instrument als een tamboerijn.
Het werd door de Portugezen geïntroduceerd in Brazilië en is
er intussen uitgegroeid tot het nationale symbool van
Braziliës meest populaire muziek, de samba. Maar ook in
capoeira is het een belangrijk begeleidingsinstrument.
Atabaque
Dit is een houten slaginstrument dat lijkt op de conga’s.
Hoewel het een belangrijk instrument is in de candomblé
(Afro-Braziliaanse religie) is dit instrument lang niet
altijd gebruikt geweest in de capoeira. De reden hiervoor is
de logheid van het instrument; het is moeilijk te
verplaatsen. Vooral in de tijden dat capoeira verboden was,
werd het niet gebruikt omdat men zich niet snel uit de
voeten kon maken als er politie naderde. Net zoals de
berimbau bestaat de atabaque in drie maten; Rum, Rum-pi en
Le.
Agogô
Letterlijk betekent dit Afrikaanse instrument ‘bel’. Maar
eigenlijk zijn het twee bellen boven elkaar waarop men met
een stokje slaat. Door de aparte toon maakt het een heel
herkenbaar geluid. Ook dit instrument wordt vaak in
Afrikaans-Braziliaanse rituelen gebruikt.
Reco-reco
Dit begeleidingsinstrument is oorspronkelijk gemaakt van
bamboe, maar wordt tegenwoordig ook vaak uit metaal gemaakt.
Het is een soort van rasp waarover men met een stokje wrijft.
De pandeiro, de atabaque, de agogô en de reco-reco zijn allen
instrumenten ter ondersteuning van de berimbau. Dit heeft
verschillende hiërarchisch geïnspireerde gevolgen. Zo moeten alle
instrumenten het ritme volgen van de hoofdberimbau. Er mag
geïmproviseerd worden, maar er moet altijd teruggevallen worden op
het ritme van de berimbau. Wanneer de berimbau van ritme verandert,
moeten de andere instrumenten zich aanpassen. Deze belangrijke
hiërarchie merken we al wanneer de muziek begint. Het is steeds de
hoofdberimbau die begint te spelen waarna eerst de andere berimbaus
invallen en daarna pas de andere instrumenten